0031 (0) 6 12 4000 40 info@cunerus.nl

 

Nieuwe buren. Niet in de stad, maar in de datsja. Huis en grond zijn gekocht door een ouder echtpaar met dochter en kleinzoon. We hebben al kennis gemaakt. Aangezien ze nauwelijks buitenlands spreken vormt de taal een barrière. Dus zwaaien we af en toe, of maken zaken met gebaren duidelijk.

De vader is bezig achter het huis. Ik zie hem tevoorschijn komen met een bromscooter. Het vehikel is nog niet zo heel oud. Wel mist hij hier en daar een afdekplaatje. Hij zet hem op zijn standaard. Even later komt hij puffend aansjouwen met een -naar ik aanneem- lege gasfles. Met een paar touwen bindt hij die vast achter op de bagagedrager. Het doet wat wankel aan, maar de man is een optimist. Hij start de scooter en rijdt voorzichtig weg. Als hij de hoek omgaat hoor ik een hoop kabaal. Wat ik vreesde: de gasfles is losgeschoten en rolt met veel lawaai over het pad de sloot in. Zijn dochter moet vreselijk lachten. Het kost de nodige moeite om de gasfles boven water te krijgen. Hij schakelt daarvoor een paar Tatsjieken in, die de fles mogen houden. Die dragen hem weg naar een onbekende bestemming. Klusje geklaard.

De volgende dag zie ik de dochter. We begroeten elkaar. Om iets meer te zeggen, doe ik het geluid van een bromscooter na. Met mijn handen doe ik alsof ik gas geef. Vervolgens beeld ik uit, dat de gasfles op de grond rolt. Het komt over. Ze moet weer lachten. Zij wijst op mij en naar de scooter. Ze vraagt me, of ik een stukje op de scooter wil rijden? Ik weet eerst niet of ik het goed begrijp, maar het is juist: als ik wil mag ik een stukje rijden. Mijn jeugd komt boven. Zestien jaar oud reed ik op mijn eerste Puch. Een opgevoerde brommer met hoog stuur. Bromfietshelmen waren niet verplicht. Die droegen we niet. We lieten onze vrijheid niet inperken door zo’n belachelijke helm.

Het ding start makkelijk. Voorzichtig manoeuvreer ik over het datsja pad, dat vol ligt met losse stenen. Bij de grote weg houd ik stil. Een tweebaansweg, waar met hoge snelheden gereden wordt. Even slikken, maar dan: gas. “Born to be wild” klinkt in mijn hoofd.

Harder dan 70 durf ik niet. De wind blaast langs mijn hoofd en snijdt door mijn zomerkleren. Ik word om de haverklap ingehaald door auto’s. Die rijden dan minstens 100 km per uur. Op de weg liggen om de paar kilometer zebrapaden om de datsjabewoners een veilige oversteek naar het kanaal te geven. Sommige zijn niet af en beslaan maar één weghelft. Bij de oversteek daar blijf je in het midden steken.

Genoeg! Na een paar kilometer heb ik het koud. Ik draai om. Zonder problemen bereik ik ons datsja pad. Als ik voorzichtig naar onze buurman stuur slaat plotseling de motor af. Ik krijg hem niet meer gestart. Het begint ook nog stilletjes te regenen. Ik ben blij, dat dit nu gebeurt. Nu is het tien minuten duwen met de scooter. Het zal een paar kilometer verderop gebeuren? De buurman ziet me aankomen. Ik zeg: kapoet. Hij kijkt er eens naar . Kijkt eens in de tank. Schudt de scooter heen en weer. Start de motor. Die slaat probleemloos aan. Het schudden zorgt weer voor benzine in de leiding. Voor de een mysterie voor de ander een weet.

Ik bedank de buurman en loop terug naar onze eigen datsja. De zon schijnt weer. Ik laat het ritje nog eens in mijn hoofd passeren. Ik droom weg naar een tijd, die inmiddels 50 jaar achter me ligt.