0031 (0) 6 12 4000 40 info@cunerus.nl

 

“Ik weet een mooie plek om te zwemmen”. Dit heb ik vaker gehoord. Mijn vrouw houdt van zwemmen. Ik moet eerlijk bekennen, dat het mij regelmatig dwingt tot een gezond leven. Een leven van beweging. We fietsen dan ook vrolijk over een geasfalteerde weg door een bos. Het loopt tegen de avond. Het was vandaag niet bijzonder warm. Bewolkt, met af en toe een spatje regen. Temperatuur: 17 graden. Badkleding is niet nodig. We kunnen er naakt zwemmen.

Bij een zanderig bospad houdt zij halt. “Hier moeten we in”. We kunnen er fietsen, mits we boomstronken en kuilen weten te ontwijken. Het pad stijgt en daalt. Voor zover ik weet gaat het om een meer in het bos. Die liggen niet hoog in het bos. Ergens moet een plek zijn, waar alle dalingen samenkomen, zodat er water in blijft staan. Die plek is er inderdaad. Wij staan op een hoogte. Beneden ligt een glinsterend wateroppervlak. Vaag zie ik een plek waar zich wat mensen ophouden.

Nadat we zijn afgedaald, bereiken we een plek met een steiger. Een vlonder is in het meer gebouwd. Aan het einde van de vlonder een houten trap die het water inleidt.  Naast de vlonder een geïmproviseerd omkleedhokje. Dat verbaast me, want als je hier naakt kunt zwemmen, waarom is dat hokje dan nodig? Er lopen een paar mensen op leeftijd. Allen gekleed in een zwemkostuum. Mijn vrouw maakt er geen punt van. Ze parkeert haar fiets tegen een boom. Kleedt zich uit. De mensen kijken er niet van op. Ze zullen het dus wel gewend zijn. Ik maak er ook niet zoveel problemen van. In een mum van tijd ben ik geheel ontkleed. We dalen achter elkaar de trap af. Twee tellen later bewegen we ons in een diep meer, verscholen tussen de bomen.

Het water is rood van kleur. Als ik hier een opmerking over maak, antwoordt mijn vrouw, dat dit een soort moeraswater is. Heel gezond. Het water stinkt niet. Ziet er verder goed uit. Ik besef, dat het hier behoorlijk diep is. Maar, de Nederlander in mij heeft daar geen moeite mee. In ons land grindgaten genoeg met een peilloze diepte.

Ik geef me over aan het water. Drijf hier naakt in een bos. Sluit mijn ogen. Ben verlost van de wereld. Natuurgeluiden. Een zachte wind. Flarden van verkeer. Ver weg. Drijven in scharlakenrood. Herinneringen komen. Zwemmen in een brede sloot in de buurt van opa en oma. Naderend onweer. Onheil. Mijn kwetsbaarheid. Het deert mij niet. De eeuwigheid nabij. Terug in het heden. Lig ik hier nu een stuk van mijn jeugd te verwerken?

Tante fietst met mij naar het huis van haar ouders: opa en oma. Achter ons lichtflitsen. Gerommel in de lucht. Ik roep: “Tante, tante, mijn schoenen. Vergeten”. De keuze: doorrijden zonder schoenen, of omkeren bij een naderende onweersbui? We keren om. Terwijl bliksemschichten door de lucht jagen, de donder onheilspellend snel naderbij komt, rijden wij terug. Niet kort daarna zijn we veilig thuis. Drie huizen verder slaat de bliksem in. Ik heb er een diepe angst voor onweer aan overgehouden.

Ik word gewekt door mijn vrouw. “Lekker, da?”. Ik antwoord: ”Da, heel lekker”. Heb een tijdloze ervaring gehad. Klim op het trapje naar boven. Zie mannen in zwembroeken. Interesseert mij geen donder. Naakt sta ik daar. Ik droog op. Een met de natuur om mij heen. Zo moet het leven zijn.

We kleden ons aan. De magie hangt nog een beetje om ons heen. Zeggen gedag tegen enkele mensen, die daar nog zijn. Stappen op de fiets. Vijf minuten later rijden we over asfalt.